De verplichtstelling, een afgewogen discussie?

18 feb 2014 - Marijke Colly, Michiel van Leuvensteijn

Het kabinet heeft met het pensioenakkoord een voorschot genomen op de discussie rond de verplichtstelling door de verplichtstelling tot sparen voor het pensioen te beperken tot een inkomen van 100.000 euro. De verplichte deelname in een (bedrijfstak)pensioenfonds wordt zowel bejubeld als verguisd. De discussie rond de verplichtstelling loopt al jaren.

Voorstanders roemen de verplichtstelling omdat de verplichtstelling ervoor zorgt dat er in Nederland zoveel werknemers door middel van solidariteit en collectiviteit in staat worden gesteld om een gedegen aanvullend pensioen op te bouwen. Tegenstanders van de verplichtstelling wijzen op het gebrek aan keuzevrijheid en een gebrek aan concurrentie.

Het komt uiteindelijk aan op het maken van keuzes, wat weegt het zwaarst? Hebben we alle argumenten en voor- en nadelen op een rij? Wij wagen hier een poging om de verplichtstelling in al zijn elementen voor het voetlicht te laten komen. 

Welke verplichtstelling?

In ons pensioenstelsel zijn er twee verschillende verplichtstellingen te onderscheiden. Allereerst de verplichting voor werknemers om deel te nemen aan de pensioenregeling van hun werkgever op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst. Deze verplichtstelling wordt ook wel de kleine verplichtstelling genoemd. Deze vorm van verplichtstelling wordt niet door de minister opgelegd. Daarnaast is er de zogenoemde grote verplichtstelling. Deze verplichtstelling zorgt er voor dat de deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds algemeen verbindend is voor de gehele sector. Bij de grote verplichtstelling speelt de overheid een rol omdat het de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is die de verplichtstelling oplegt. Bij de discussie over het voortbestaan of de legitimatie van de verplichtstelling gaat het dan ook vrijwel altijd over de grote verplichtstelling, al zal het voor een individuele deelnemer weinig verschil maken of er in zijn of haar geval sprake is van een grote of alleen een kleine verplichtstelling.

Verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds begint altijd met een verzoek van werkgeversorganisaties samen met werknemersorganisaties aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Er wordt hierbij gekeken of de werkgeversorganisaties voldoende representatief zijn voor de bedrijfstak waarvoor de verplichtstelling wordt aangevraagd. De werkgeversorganisaties zijn representatief wanneer bij de aangesloten werkgevers meer dan 55% van het aantal werknemers in de bedrijfstak werkzaam zijn. De aanvraag moet ook worden ondersteund door werknemersorganisaties. In eerste instantie wordt hierbij alleen gekeken of deze werknemersorganisaties op grond van hun statuten bevoegd zijn tot het maken van arbeidsvoorwaardenafspraken in de betreffende bedrijfstak. Indien er bedenkingen worden geuit tegen de representativiteit van werknemersorganisaties wordt daarnaast ook gekeken naar de organisatiegraad bij betrokken werknemersorganisaties in relatie tot de organisatiegraad bij de overige werknemersorganisaties die in de bedrijfstak actief zijn.

Het zijn dan ook de werkgevers die niet bij de aanvragende werkgeversorganisaties zijn aangesloten en de werknemers die daar werkzaam zijn, die geraakt worden door het verplichtstellingbesluit. 

Doel van deze wet

Het achterliggende doel bij de totstandkoming van de Wet Verplichte Deelneming Bedrijfstakpensioenfondsen was te voorkomen dat bedrijven op voorsprong kwamen te staan door geen pensioen als arbeidsvoorwaarde aan te bieden en zo minder kosten hebben dan bedrijven die wel pensioen als arbeidsvoorwaarde aanbieden.

 De beperking van de concurrentie werd gerechtvaardigd vanuit de overtuiging dat de belangen van de bedrijfsgenoten er mee gediend waren.

Ook tegenwoordig speelt de Wet Verplichte Deelneming Bedrijfstakpensioenfondsen nog een zeer grote rol bij het verwezenlijken van het doel om zo veel mogelijk werknemers aanvullend pensioen te laten opbouwen.

Toegevoegde waarde van de verplichtstelling

In Nederland is tot nu toe vastgehouden aan de verplichtstelling in verband met de grote rol die deze speelt bij de aanvullende pensioenopbouw voor grote groepen werknemers. Deze toegevoegde waarde weegt zwaarder dan de concurrentiebeperking die gepaard gaat met de verplichtstelling.

Ook in Europees perspectief moest worden aangetoond dat het fonds een bijzondere taak van algemeen belang uitvoert die zonder de verplichtstelling niet kan worden vervuld. Alleen dan zou de concurrentiebeperking kunnen worden gerechtvaardigd. Het Hof overweegt hierbij dat de aanvullende pensioenregeling een essentiële sociale functie vervult in het pensioenstelsel in Nederland, vanwege de geringe hoogte van het wettelijk pensioen. Geconcludeerd werd dat zonder de verplichtstelling het fonds deze essentiële sociale functie niet zou kunnen vervullen. Immers door de solidaire kenmerken van het fonds zou het zonder de verplichtstelling de opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten. Dit komt omdat zonder de verplichtstelling de ‘goede risico’s’ zullen vertrekken en de ‘slechte risico’s’ achterblijven. Aan deze ‘slechte risico’s’ kan dan geen pensioen meer worden aangeboden tegen aanvaardbare kosten. Dit is temeer het geval wanneer de pensioenregeling wordt gekenmerkt door een hoge mate van solidariteit. Zonder de verplichtstelling komt het financieel evenwicht van de fondsen in gevaar.

Lees verder in het volledige artikel

Marijke Colly
Associate Director Institutional Business Development, APG

Michiel van Leuvensteijn
Senior Beleidsadviseur, APG 

Uw pensioenartikelen

inhoud

Reader uitleg | Deel uw reader

U bevindt zich op uw eigen reader-pagina waar u de voor u interessante artikelen kunt verzamelen en bewaren. U kunt inloggen zodat u deze reader overal kunt lezen. U bent nog niet ingelogd en daarom worden deze artikelen alleen in deze sessie bewaard.

Login met uw Twitter of uw Facebook of uw LinkedIn account

Print de reader inhoud